Dit album van zangeres Victoria Legrand (chick kinda sounds like a dude!) en Alex Scally, die samen het duo Beach House vormen, klinkt als het liefdeskind van My Bloody Valentine en Prefab Sprout. De plaat is dromerig en poppy tegelijkertijd en er staat welgeteld geen enkel minder nummer op. Weergaloos! Ik zou dit album als het beste van 2010 uitroepen, maar dan besef ik dat er in de jaren daarvoor ook geen enkel album is uitgekomen dat hier aan kan tippen. Je beseft dat er hoop is voor popmuziek als je een cd als deze beluistert.
Beach House – Teen Dream
•maart 22, 2011 • Geef een reactieThe Name of the Wind
•december 26, 2010 • Geef een reactie
Als je het concept van ‘The Name of the Wind’ in enkele zinnen moet samenvatten, dan lijkt dit een bijzonder onorigineel boek. Het is een mise en abyme in de stijl van klassiekers als ‘The Canterbury Tales’, waarin één verhaal binnen het andere kadert. De roodharige furie Kvothe (spreek uit als ‘quote’ met een v) is een berucht figuur binnen de wereld die debutant Patrick Rothfuss voor ons uittekent. We treffen Kvothe aan het eind van zijn avonturen. Als Kote houdt hij een herberg open in een klein dorp en leidt zo een onopvallend leven dat hij zichzelf heeft opgelegd. Wanneer een schrijver (The Chronicler) in het dorp opduikt, wordt de levende legende met zijn verleden geconfronteerd. Chronicler weet wie de herbergier echt is en Kvothe stemt uiteindelijk toe om zijn levensverhaal te vertellen.
Niet echt opmerkelijk toch? De memoires in eerste persoon van een held die best wat van de wereld heeft gezien? De heer Rothfuss had dan ook enorm veel moeite om dit boek aan uitgeverijen verkocht te krijgen. Het is er uiteindelijk toch van gekomen en, lo and behold, het werd een bestseller!
Dat is geheel verdiend. ‘The Name of the Wind’ is een fenomenaal boek. De premisse mag dan wel een huizenhoog cliché zijn, de uitvoering is dat allerminst. We volgen Kvothe in zijn vormende kinder- en tienerjaren en het wordt al snel duidelijk dat de knaap bijster slim en vindingrijk is. Maar hij blundert ook. Kvothe wordt door zijn intelligentie bijzonder arrogant en dat maakt zijn naïeve en vaak zelfdestructieve misstappen des te pijnlijker. Je leeft echter volledig mee omdat het klopt. Jeugdig enthousiasme en een hoog intellect leiden gemakkelijk tot verwaandheid. Hoe hoger je klimt, hoe pijnlijker de val is. Dat merkt hij op school, in zijn omgang met mensen en vooral met vrouwen. Wat hij mispeutert is herkenbaar, maar hij leert bij. Zijn band met de enigmatische Denna is ingewikkeld, onvoorspelbaar en wijkt zwaar af van wat je in veel fictie vindt. De auteur maakt van haar de kristallisatie van vrouwelijke complexiteit. Denna is even ongrijpbaar als de wind. De merkwaardige interactie tussen de twee verheft deze roman tot een hoog niveau.
‘The Name of the Wind’ is een verhaal over verhalen. Doorheen het boek merk je dat Pat absoluut verliefd is op de act van het verhalen vertellen. Het relaas wordt meerdere keren onderbroken, enkel omdat Kvothe zo de draad weer kan oppikken. De haard knettert, Chronicler veegt de inkt van zijn pen en leerling Bast kijkt zijn leraar vol verwachting aan. Ook de herberg is in verwachting. In verwachting van een verhaal.
En wat voor één. Het enige grote minpunt aan ‘The Name of the Wind’ is dat Kvothe te veel herinneringen heeft voor één hoop papier. Er komen nog twee delen en door een cocktease weten we nu al dat het beste nog moet komen. De laatste bladzijde van deze topper omslaan is best frustrerend. Het is maar een lichte troost dat het vervolg ,‘The Wise Man’s Fear’ , al in maart uitkomt.
De paperback ligt hier naast mij. Een vodje. Bijna letterlijk kapot gelezen. Kapot genoten. Plots komt het besef dat dit een debuut was. Pat Rothfuss heeft meer dan tien jaar aan dit verhaal gewerkt. Dat lees je. Zoals de auteur het zelf zegt: ‘If I was going to do something, I should take my time and do it right the first time’. You did Pat, you sure as hell did.
Andere schrijfsels
•december 18, 2010 • Geef een reactieHieronder even een greep uit wat ik voor cultuursite CuttingEdge en het magazine Rekto-Verso heb geschreven:
V voor Vendetta
Ego Faber
Essex County
De allerslimste mens ter wereld
Andere kijk op narrativiteit in games
Binnenkort komt hier ook weer wat nieuws. Writer’s gotta write!
‘The Big Bang Theory’ vs. ‘It’s Always Sunny In Philadelphia’
•september 11, 2010 • 1 reactie
Binnenkort beginnen zowel ‘The Big Bang Theory’ als ‘It’s Always Sunny in Philadelphia’ aan een nieuw seizoen (respectievelijk 4 en 6). Eerstgenoemde is best populair geworden hier in Vlaanderen sinds KanaalTwee de reeks uitzendt, maar ‘Sunny’ is hier nog altijd een nobele onbekende, hoewel het in de States best een fenomeen aan het worden is. Welke van deze comedy-reeksen is nu het meest uw aandacht waard?
‘The Big Bang Theory’ is een serie die met veel plezier surft op de ‘geeks are the new hotness’ golf. Twee wetenschappers en über-nerds Sheldon en Leonard krijgen in hun flatgebouw een nieuwe overbuur: de knappe en spontane Penny. Leonard begint al snel iets voor de ‘waitress wanting to be an actress’ te voelen. Hoewel Penny normaal met hunky kleerkasten annex assholes omgaat, begint zij ook gaandeweg een boontje te krijgen voor Leonard, zowat de tegenpool van haar gewoonlijke dates. Eén van de centrale vragen blijft dan ook of het nu wel of niet iets wordt tussen die twee.
Leonards vriend Sheldon is een aseksuele robot die doorheen de reeks enorm hard probeert om sociale conventies en menselijke emoties te snappen, maar daar niet altijd in slaagt. Daarnaast heb je nog de sidekicks: Wolowitz, een wanhopige joodse wanna-be womanizer en de indiër Raj, die enkel met vrouwen kan praten als hij wat drank achterover geslagen heeft. De mannelijke personages in deze sitcom vormen samen zowat de natte droom van iedere psychiater.
Leuk concept, maar is de reeks ook grappig? Voor het eerste seizoen kan ik kort zijn: hell no. De schrijvers hadden aanvankelijk nog niet door hoe ze degelijke comedy uit de cast konden slaan. Het probleem is dat er in de eerste afleveringen echt véél verwijzingen naar wetenschap, comics en sf zitten. Allemaal goed en wel als je ze snapt, maar hier is het probleem: ’t is niet om te lachen. Maar! Het loopt wel los. Gaandeweg weet het team beter met personages als Sheldon om te springen (lees: hij is niet meer onuitstaanbaar) en vanaf het tweede seizoen is TBBT een zeer genietbare sitcom met hier en daar flarden van extreme hilariteit.
Het grote probleem met het charmante TBBT is dat ‘It’s Always Sunny’ bestaat. Wat pure fun factor betreft slaat deze reeks de ‘4 nerds and a hotty’ echt vollédig KO. Om de boks-analogie verder te zetten: het gaat hier om ‘Coopman vs. Ali’ verschil in klasse.
‘Sunny’ draait rond vier kansloze losers die een Irish Pub in Philadelphia openhouden. Het zijn allemaal zeer, zéér lelijke mensen. Dennis is een arrogante, ijdele blaaskaak; Mac is een groot kind, Charlie is een analfabeet die wel eens kattenvoedsel durft te eten en Deandra aka Sweet Dee is een oliedomme slet. Later komt Frank (Danny DeVito) er bij: een vadsige, egoïstische rotzak. Al bij al en zeer kleurrijk gezelschap.Deze reeks moet je echter ook wat laten groeien. Hoewel het eerste seizoen al enkele hoogvliegers bevat, bereikt ‘Sunny’ pas het statuut van moderne klassieker in het derde seizoen. Dan zitten de lachsalvo’s wel heel dicht bij elkaar en leveren de schrijvers de beste comedy af sinds de hoogdagen van ‘The Simpsons’ tien jaar geleden. Ja, dat is een zéér groot compliment.
‘Sunny’ moet het niet van de gelaagde humor hebben: de reeks is enorm platvloers en grof. Als je weet dat er plotlijnen zijn rond glory holes, dick towels en dumpster babies, dan weet je dat moraalridders hier beter ver vandaan blijven. Dat wil echter niet zeggen dat de kwaliteit van de scripts navenant is. Hoewel toilethumor hier vaak centraal staat, is de humor toch zeer clever. Het belangrijkste is echter dat de stroom grappen niet stopt: de ‘jokes per minute ratio’ is enorm hoog.
Ik hoop van harte dat de bekendheid van de reeks in Vlaanderen wat van de grond begint te komen, want deze reeks verdient ook hier een publiek. Je weet wat ze zeggen: een betere wereld begint bij jezelf! Laat TBBT dus even links liggen en binnenkort weet je precies wat bedoeld wordt met fenomenen als Night Man, The D.E.N.N.I.S. System en Rickety Cricket. Now if you’ll excuse me, I feel like poppin’ ma shirt off.
God Only Knows
•september 4, 2010 • Geef een reactie
Brian Wilson is op dit moment nog altijd muziek aan het maken, maar in de 60’s was hij vooral bekend als het creatieve genie dat de Beach Boys muzikaal vooruit stuwde. Na de rechttoe-rechttaan surferliedjes uit het begin van dat decennium, ging Wilson volop de experimentele toer op. Dat ging jammer genoeg gepaard met een wat onfortuinlijke episode uit zijn leven, want de man was op dat moment, tja… volledig van de kaart door LSD. Hij had de drug een paar keer genomen, maar moest eerst twee bad trips doorstaan voor er een goede kwam. Als resultaat was Brian zwaar weg van de wereld in die periode. Hij dronk niet veel anders dan milkshakes en sloot zich volledig op in zijn studio, om als een soort van mad scientist aan zijn harmonieën te werken.
Eén van de resultaten van dit psychedelische labeur is het magnifieke ‘Pet Sounds’ uit 1966, wat algemeen als de beste Beach Boys-plaat wordt beschouwd. Dat album is inderdaad steengoed, maar de pocket symphony ‘God Only Knows’ is zonder enige twijfel het kroonjuweel. Het is niet alleen tekstueel een zeer eigenaardig liefdesliedje, maar ook qua structuur is het een zeer merkwaardige song.
Eerst en vooral was het in die tijd not done om in je lyrics met het woord ‘God’ te goochelen. Het zijn echter vooral de beginregels van ‘God Only Knows’ die nogal vreemd zijn:
I may not always love you
Welke song begon in de 60’s met een dergelijke regel? Zo negatief, zo… raar! Dat vond Wilson ook, maar dan komen de volgende regels:
But long as there are stars above you
You never need to doubt it
I’ll make you so sure about it
God only knows what I’d be without you
En plots houdt alles wat meer steek. Wat een geniale eerste strofe. Daarna is de tekst niet meer zó speciaal, maar de muziek des te meer. ‘God Only Knows’ conformeert niet aan de heersende strofe-refrein-strofe structuur, maar begint met twee strofes. De tweede typeert zich vooral door de toevoeging van strijkers. Het loont de moeite om alle andere tracks van je gehoor af te sluiten en enkel naar die partij te luisteren. Jezus, de strijkers… hemels. Voor één keer mag Bono van U2 iets zeggen:
“You only have to listen to the string arrangement of ‘God Only Knows’ for fact and proof of angels.”
Na de tweede strofe komt er een rare brug, tevens één van mijn favoriete momenten in het nummer. Het is net alsof het lied zich op dat moment even verslikt in zijn eigen goddelijkheid, om zich dan weer te herpakken in een vocale harmonie. Dan krijgen we nog een strofe die gevolgd wordt door een refrein dat zich blijft herhalen, waardoor Wilson het nummer recht de eeuwigheid in zendt.
Om af te sluiten moét ik het nog even over de vocals van Carl Wilson hebben. Brian had zijn broer op voorhand gezegd: “Don’t do anything with it. Just sing it real straight. No effort. Take in a breath. Let it go real easy.” En dat is precies wat Carl hier doet. Als Brian had beslist om meer stemmen toe te voegen, dan had het nummer zeker te druk geklonken. Nu contrasteert de subtiele vocale track perfect met de complexe instrumentale bezetting. Een goed gekozen evenwicht die de song enorm warm maakt. Nog enkele interessante weetjes:
- ‘God Only Knows’ is de favoriete song van Paul McCartney.
- Ik kan hem moeilijk ongelijk geven. Het is echt wel een onvergetelijk meesterstuk. Eindeloos herluisterbaar.
- Mocht iedereen op aarde na het opstaan naar deze song luisteren, dan komen we ongetwijfeld een stap dichter bij wereldvrede.
Volgende week is het weer comedy-tijd. De serie die iedereen kijkt vs. de reeks die niemand kijkt (in Vlaanderen dan toch)
Bill Hicks
•augustus 25, 2010 • Geef een reactie
Bill Hicks, dat was een zeer wijs man. Een held. Maar… kent u hem? Kent u Bill Hicks? De kans is groot van niet. Helden worden nu eenmaal vaak vergeten. Hij stond echter niet echt in de spotlights, dus u treft geenszins schuld. Hij was een stand-up comedian die begin jaren ’90 wat bescheiden bekendheid verwierf en dan plots stierf ten gevolge van uitgezaaide pancreaskanker in 1994. De wereld verloor op dat moment niet alleen een geniale, maar ook intens grappige man.
Zijn shows kunnen best samengevat worden als verlichte en goed doordachte maatschappijkritiek die hij doorspekte met ruwe humor. Hij omschreef zichzelf als ‘Chomsky with dick jokes’. Hij spendeerde zijn jeugd in Texas en moest dus omgaan met heel wat achterlijke ideeën en convicties zoals creationisme. Als kritische geest met een goed gevoel voor humor opgroeien in een dergelijke omgeving, dat is zowat het ideale recept voor het klaarstomen van een goede comedian.
Naast religie en politiek had hij het vaak over de overdreven consumptiecultuur in Amerika. In een zeer geslaagde act bespreekt hij het toenemende aantal winkelcentra in iedere stad en vreest hij dat Amerikanen op termijn mall people zullen worden en in een aaneengeschakeld netwerk van winkelcentra zullen leven als een soort van veredelde holbewoners.
Bill haatte alles wat fake was. Als hij door zo’n mall liep, kon hij de muziek die er door de speakers schelde, ook zeer moeilijk uitstaan. Dan had hij het over prefab one hit wonder-machientjes als Rick Astley en countrykwal Billy Ray Cyrus (die nu verantwoordelijk is voor het demonengebroed genaamd Miley Cyrus, aka Hannah Montana). Hicks had het meer voor iemand als Jimi Hendrix, die muziek maakte met ballen en vooral: een ziel.
Hicks was een man die als geen ander de essentie achter de dingen zag en de waarheid onomwonden in zijn live shows durfde te verkondigen. Deze week ga ik het dus kort houden en the man himself iets laten vertellen dat veel zinniger is dan wat ik hier verder nog kan neerpoten. Deze gigantische truth bomb hieronder kan maar beter een blijvende indruk op jullie nalaten. In enkele minuten zit Bill er hier boenk op. Op wat? Wel, op ‘het’.
.
It’s just a ride.
Een held.
Freaks and Geeks
•augustus 17, 2010 • Geef een reactie
De naam Judd Apatow doet bij jullie waarschijnlijk wel een belletje rinkelen. Hij is regisseur van hits als ‘The 40 Year Old Virgin’ en ‘Knocked Up’, maar produceert en schrijft daarnaast als een bezetene. Zie: ‘Superbad’ (met voorsprong mijn favoriet), ‘Forgetting Sarah Marshall’ en ‘Pineapple Express’, om maar een paar namen te noemen. Dit zijn allemaal degelijke tot sterke komedies, maar zijn beste werk leverde de man al een stuk vroeger af. Hij begon zijn carrière namelijk met twee tv-reeksen, die jammer genoeg na één seizoen al een stille dood stierven: ‘Freaks and Geeks’ en ‘Undeclared’. De eerstgenoemde verdient wat meer aandacht.
De cold opening van de eerste aflevering toont op een zeer slimme wijze de thematiek van de hele reeks. We zien een cheerleader en een jock (nvdr: stereotype atleet) die op een heel melige manier hun liefdesproblemen aan het bespreken zijn. De camera walgt ook en maakt een beweging naar beneden, onder de sporttribune, waar de freaks zitten. Die zijn bezig over Led Zeppelin en het dragen van expliciete t-shirts in de kerk. In een laatste overgang zien we een paar geeks die lustig Bill Murray aan het quoten zijn, tot ze door een drietal bullies worden onderbroken. De oudere zus van doelwit Sam, Lindsay, redt de schriele pubertjes van de aandachtzoekers en sluit af met een gemeend ‘Man, I hate high school’. Iedere groep is geïntroduceerd. De toon is gezet.
Lindsay Weir, het hoofdpersonage van de reeks, is een speciaal geval. Ze was ooit volwaardig geeky en een trots lid van de mathletes, maar die reputatie wil ze nu wat van zich af schudden. Gevolg: ze begint de legerjas van haar vader te dragen en gaat meer met de freaks om. Lindsay kan zich wel bij dit kliekje inwerken, maar haar verleden als geek kan (en wil) ze niet echt van haar af schudden en ze worstelt als gevolg nogal met een identiteitsprobleem. Ze blijft doorheen de reeks als een soort van brug tussen de twee werelden fungeren.
Qua personages kan echter niets tippen aan de onnavolgbare Bill Haverchuck.
.
.
Als we het venndiagram even raadplegen, dan zit Haverchuck volop in de dorkcategorie. Hij is sociaal volledig incompetent, helemaal niet slim en bovendien faalt hij nog eens hard wat kennis van geeky onderwerpen betreft: wanneer Neil de jongens entertaint met een William Shatner-imitatie, gelooft hij dat het om John Wayne gaat. En dan is er nog de scène waar hij in de kleerkast van zijn moeder duikt om de vrouw van Lee Majors, The Six Million Dollar Man, te spelen. Wat een held.
Deze reeks kenmerkt zich vooral door een niet aflatende stroom van bijzonder slim geschreven dialogen die bovendien bolstaan van de quotables en geslaagde grappen. ‘Freaks and Geeks’ is een mix van comedy en drama, maar bij het incorporeren van dat laatste element gaan de schrijvers er nooit over. Geen stroop of pathos, maar altijd geloofwaardige scènes. Ergens ben ik wel blij dat er niet meer dan achttien afleveringen zijn gemaakt, want zo was er nooit stagnatie of achteruitgang. Het is van begin tot einde puur genieten.
Het is tijd voor een amuse gueule. Hier is het eerste deel van de piloot (maar zelfs de volledige reeks mag blijkbaar op youtube blijven staan). Herkent u enkele koppen? Voor heel wat nu bekende acteurs was ‘Freaks and Geeks’ een springplank. James Franco kreeg wereldfaam door ‘Spider-man’, Jason Segel in mindere mate door ‘How I Met Your Mother’ en Seth Rogen… tja, die kom je in zowat iedere Apatow-flick tegen.




